Landstede Groep
   
Jaargang 3 | Editie 1 | Edities
wisselcolumn

Homo erectus

Berber Bouma (33) geeft Nederlands en Godsdienst op het Ichthus College in Kampen. In haar les Nederlands vraagt ze een leerling ten huwelijk.

‘Maar mevrouw, dat kan toch niet?’ vraagt Emma terwijl ze naar het bord wijst. De meiden om haar heen knikken instemmend. Ik kijk naar het bord, waar Mijn zus vraagt haar vriend ten huwelijk staat. Als ik vlug een voorbeeldzin moet verzinnen komen er soms rare dingen uit, maar hier zie ik echt geen fout in. Ik keer me met een vragend gezicht weer naar de klas. ‘Duh. Je gaat je vríénd toch niet ten huwelijk vragen?’ merkt Lea op.

‘Natuurlijk wel,’ zeg ik. ‘Je kunt toch beter je vriend ten huwelijk vragen dan een wildvreemde? De kans dat hij “ja” zegt is dan immers veel groter.’ Ik ga op mijn knieën voor de jongen die het dichtst bij me zit, kijk hem in zijn ogen en vraag: ‘Rowan, wil je met me trouwen?’ Hij kijkt terug alsof ik gek ben en antwoordt met een vies gezicht: ‘Nee!’

‘Zie je wel?’ concludeer ik. ‘Als je je vriend vraagt, heb je waarschijnlijk veel meer succes.’

‘Dát bedoelt Emma ook niet,’ legt Marieke uit. ‘Maar je gaat je vríénd toch niet vragen? Hij moet jóú vragen of je met hem trouwen wilt!’

Oh. Gaat het dáár om! Ik wist niet dat mijn havo 2-leerlingen zulke conservatieve denkbeelden hebben. Ik dacht juist dat de jongeren van nu vrijer waren, ruimdenkender. Valt dat even tegen. Maar ik ben de beroerdste niet en dus pas ik de zin aan. Enkele seconden later staat Mijn broer vraagt zijn vriend ten huwelijk op het bord. Nu vallen er nog veel meer monden open. Sommige leerlingen kijken me met grote ogen aan. ‘Is uw broer homo, mevrouw?’ vraagt Ferhat. ‘Nu wel,’ antwoord ik laconiek.

Maar zo goedgelovig is mijn klas ook niet, zelfs niet op vrijdagmiddag. ‘Uw broer is toch geen homo?’ wil Nathan zeker weten. ‘Daar heeft u nog nooit eerder iets over gezegd.’

Dus geef ik toe: ‘Nee, mijn broer is geen homo. Maar als hij het wel was geweest, dan had hij zijn vriend toch gewoon ten huwelijk kunnen vragen?’ Het blijft stil. Niemand kan er iets tegen in brengen; of het nu mijn broer is of zijn vriend, in dit geval maakt het niet uit wie de Grote Vraag stelt.

We gaan verder met de les, die bedoeld is als introductie op een lessenserie over redekundig ontleden. Ik wil van de klas weten wat het onderwerp is van deze zin. De leerlingen pakken hun stiften, noteren hun antwoorden en houden op mijn teken hun blaadjes in de lucht. Ik kijk de klas rond en controleer wat ze geschreven hebben. Op de meeste blaadjes staat mijn broer, alleen Richard heeft zijn antwoord anders vormgegeven. Hij heeft een tekening gemaakt van een klein figuurtje met een enorme erectie. Ik weet precies hoe laat het is: tijd voor weekend.

(De namen van de leerlingen zijn gefingeerd.)




Vorige
Volgende
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10