Landstede Groep
   
Jaargang 4 | Editie 5 | Edities
Leren over de grens

Leren in Denemarken: veel buiten, veel beweging en heel praktijkgericht

In deze nieuwe serie kijken we naar hoe het onderwijs in het buitenland georganiseerd is en vragen docenten naar hun mening en ervaringen. In deze eerste aflevering: Denemarken.

Het Deense onderwijs is op een aantal punten anders dan het Nederlandse. We lichten er een aantal opvallende punten uit.

Folkeskole van 6 – 16 jaar

De meeste kinderen in Denemarken gaan vanaf hun zesde jaar naar de Folkeskole. Een klein deel gaat naar een privéschool of krijgt thuisonderwijs. De Folkeskole telt in ieder geval negen leerjaren. In de praktijk kiezen veel leerlingen en hun ouders voor een tiende jaar. Dit jaar kan ook op een boardingschool worden gevolgd, waarbij leerlingen een jaar intern gaan. In het tiende jaar is er veel aandacht voor de voorbereiding op het vervolgonderwijs, voor sociale vaardigheden en internalisering.

Vervolgonderwijs

Na de Folkeskole gaan leerlingen naar het gymnasium (vergelijkbaar met de havo, het atheneum en het gymnasium) of het VET (vergelijkbaar met ons mbo).

Kleine klassen, meerdere docenten

Een reguliere klas telt gemiddeld twintig leerlingen. Zij krijgen les van twee docenten of van een docent en een pedagoog. Leerlingen met ontwikkel- of leerproblemen krijgen in een kleinere groep van 6 tot 8 leerlingen specifiekere aandacht door een gespecialiseerde docent en/of pedagoog. Daar waar mogelijk zijn de klassen samen, daar waar het nodig is apart. Leerlingen met een leerachterstand krijgen altijd het advies om het tiende jaar aan de Folkeskole te volgen.


In het kader van hun masteropleiding Learning & Innovation aan hogeschool Windesheim, verdiepten Ceciel Korsmit (docent bij Gezond & Wel) en Annette Heslinga (docent bij Mooi & Mode) zich in de Deense onderwijscultuur. In maart bezochten ze Denemarken en belden - vaak onaangekondigd – aan bij scholen met de vraag of ze een kijkje mochten nemen. ‘We werden met open armen ontvangen.’

Wat viel jullie op bij jullie bezoeken aan Deense scholen?
Annette: ‘Er wordt veel buiten de klas en buiten in de openlucht lesgegeven. Er zit ook veel beweging in. Bij een les Duits moesten leerlingen een geblinddoekte medeleerling door de school loodsen. In het Duits, uiteraard. En op een andere school hadden leerlingen voor geschiedenis in een van de gangen een enorme tijdlijn op de grond gemaakt.’
Ceciel: ‘Heel goed voor leerlingen die niet lang kunnen stilzitten en hun energie kwijt moeten. Daarnaast is het voor leerlingen een betere manier van vaardigheden aanleren, omdat de stof in het (puber)brein veel beter beklijft.’

Jullie geven les op het mbo en hebben ook mbo-scholen bezocht. In hoeverre gaat het daar anders dan in Nederland?
Annette: ‘Het onderwijs is nog meer praktijkgericht dan hier. Denemarken kent geen BOL-variant. Het eerste halfjaar gaan leerlingen naar school, daarna volgt een combinatie van leren en werken. Tijdens de stageperiode worden leerlingen gezien als werknemer en staat de school op afstand. Dat betekent dat docenten niet standaard stagebezoeken afleggen.’
Ceciel: ‘Er is een groot vertrouwen in het werkveld.’

Annette: ‘De scholen werken nauw samen met het bedrijfsleven. Ze ontvangen vaak afgeschreven, maar nog steeds goede en moderne apparatuur, en ondernemers zijn vaak op school voor gastlessen. De overheid stelt het bedrijfsleven verplicht leerwerkplekken aan te bieden.’

Hoe worden op het mbo leerlingen begeleid die het moeilijk hebben?
Annette: ‘Er wordt heel erg gecoacht op het leren. Wanneer een leerling kampt met sociale problematiek en niet tot leren komt, zetten ze de opleiding stil. De leerling wordt verwezen naar de commune, een vangnet dat iedere gemeente heeft met gezondheids- en welzijnswerkers. Zodra iemand weer in staat is om tot leren te komen, is hij van harte welkom om de draad weer op te pakken.’

Ceciel: ‘Hoewel leerlingen bij ons van het SAB (Expertisecentrum Student Advies & Begeleiding) ook ondersteuning krijgen als het even niet gaat, merk je dat je als docent soms veel aandacht besteedt aan een paar leerlingen met problemen. Je kunt daardoor minder tijd besteden aan alle leerlingen van een klas. Een visie en werkwijze zoals in Denemarken zou ten goede komen aan de kwaliteit van het onderwijs, omdat je je als docent echt op het leren van de student kunt richten.’
Annette: ‘Standaard een pedagoog erbij, zoals op de Folkeskole lijkt me een waardevolle aanvulling.’

Welke andere elementen uit het Deense systeem zouden jullie graag terugzien in Nederland?
Annette: ‘Het bewegend leren - ik probeer nu zelf ook meer actievere werkvormen toe te passen - en outdoor-educatie. Een mbo-student hoort buiten de vier muren van het klaslokaal te werken aan burgerschap. Ik heb daarover contact gezocht met de Stadkamer. Leerlingen van Mooi & Mode gaan in de Stadkamer een aantal keer per jaar ‘in het echt’ werken aan de burgerschapsdomeinen. Zij geven bijvoorbeeld kleuradvies of verzorgen modeshows. We zijn dan creatief bezig, we helpen de ander.’

Ceciel: ‘Ik zou leerlingen in Nederland ook een tussenjaar of oriëntatiejaar gunnen, zoals het tiende jaar op de Folkeskole. Vijftien is jong, als je een beroep moet kiezen. Daarnaast zou ik graag willen dat leerlingen nog meer in praktijksituaties kunnen oefenen. Een mooi voorbeeld hiervan is het Zorgtrainingscentrum, waar studenten, opleiders en medewerkers uit het werkveld kunnen leren in de echte beroepspraktijk of in simulatie in labs. Met dit initiatief is een aanzet gedaan naar een nieuwe manier van leren, waarbij de praktijk nauw betrokken is.’




Vorige
Volgende
1 2 3 4 5 6 7